DE KRUISIGING |
Bang voor een oproer, geeft Pilatus Jezus over aan de Romeinse soldaten die hem zullen
kruisigen. Ze brengen hem naar een heuvel, net buiten Jeruzalem: Golgotha. |
Boven op die heuvel is de plaats waar misdadigers de doodstraf krijgen door
ze op te hangen aan aan een houten kruis. |
Eerst moeten ze dat kruis zelf naar boven slepen en worden er dan daarna aan vastgespijkerd. |
Die morgen worden er ook nog twee moordenaars gekruisigd. Jezus hangt in het midden. |
Terwijl de soldaten aan het dobbelen zijn om zijn kleren, bidt Jezus voor ze: "Vader,
vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen" |
De omstanders beginnen te roepen. "Anderen heeft hij gered! Laat hij nu zichzelf
maar redden als hij de Zoon van God is!" |
"Hij is toch de Koning van Israël?! Laat hem dan van het kruis afkomen, dan zullen
we in hem geloven!" |
"Ja," spot één van de moordenaars, "U zegt toch dat u de Messias bent?! Red uzelf
dan, en ons erbij!" |
Maar de andere moordenaar wijst hem terecht: "Wij worden gestraft omdat we het verdiend
hebben! Maar hij hangt hier onschuldig!" |
"Jezus," zegt hij dan, "vergeet mij niet wanneer u in uw hemelse koninkrijk komt!" |
"Dat beloof ik," antwoordt Jezus. "Vandaag nog zul je met mij in het paradijs zijn." |
Dan ziet Jezus Maria staan, zijn moeder. Ondanks de pijn is hij vol zorg voor haar.
|
Vlak bij haar staat Johannes, zijn trouwste leerling. "Johannes zal als een zoon
voor u zijn," zegt hij tegen zijn moeder. |
En tegen Johannes zegt hij dat hij haar als zijn eigen moeder moet behandelen. |
Dat doet hij dan ook. Vanaf nu zal hij Maria in zijn huis opnemen. |
Het is middag geworden en het wordt donker. Er komt een zonsverduistering. |
Het lijden duurt lang, nu al vier uur. |
Na nog drie uur roept Jezus het uit: "Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?!" |
Dan wordt het weer licht. "Ik heb zo'n dorst..." zegt Jezus. Met een spons op een
stok geeft een soldaat hem wat te drinken. |
Daarna roept Jezus: "Het is volbracht!!! Vader, mijn geest vertrouw ik aan u toe!"
Dan sterft hij... |
De Romeinse hoofdman is erg onder de indruk van het sterven van Jezus. "Deze man
was werkelijk onschuldig!" roept hij uit. |
Eén van de vrienden van Jezus vraagt toestemming aan Pilatus om zijn lichaam van
het kruis af te nemen en het te begraven. |
Het lichaam wordt in een nieuw rotsgraf gelegd. Na het paasfeest zullen ze het balsemen. |
Een zware ronde steen wordt voor de ingang gerold en op verzoek van de priesters
laat Pilatus het graf verzegelen. |
Jezus had namelijk meer dan eens gezegd dat hij na drie dagen zou opstaan uit de
dood. |
Om te voorkomen dat de leerlingen het lichaam na drie dagen zouden wegnemen en het
volk dan zouden wijsmaken dat hij was opgestaan, wordt het graf ook bewaakt. |
De leerlingen vanJezus zijn diep teleurgesteld. Dat Jezus zó aan zijn eind zou komen,
hadden ze niet verwacht. |
Wel had hij ze vaak verteld dat hij na drie dagen zou opstaan uit de dood, maar ze
begrijpen het niet. |
Maar na drie dagen en nachten gebeurt het!!! De soldaten slaan op de vlucht! |
Jezus is opgestaan! Het offer is gebracht. De straf die alle mensen verdienen, is
gedragen. Nu kan Iedereen vergeving krijgen. |
Ook de dood is overwonnen! Jezus' leven is sterker dan de dood. En dat leven zullen
zijn leerlingen ook gaan ontvangen. Met Pinksteren. |
Maria van Magdala is de eerste die Jezus na zijn opstanding ziet. Zij was ooit door
Jezus bevrijd van zeven boze geesten. |
Zo vlug ze kan brengt ze het goede nieuws aan de anderen. Maar die hebben Jezus ook
al gezien. |
Veertig dagen lang verschijnt hij aan zijn leerlingen om ze voor te bereiden op de
taak die ze zullen krijgen: alle mensen van Jezus vertellen. |
Ook Petrus die Jezus drie keer heeft verloochend, mag meedoen om de mensen over hem
te vertellen en wat hij voor ze heeft gedaan. |
Na die veertig dagen gaat Jezus naar de hemel. Van daaruit kan hij iedereen die daarvoor
open staat vergeving geven. En ook het nieuwe leven dat sterker is dan
de dood! |