HET VERRAAD... |
Tweeduizend jaar geleden leefde in het land dat nu Israël heet, degene aan wie we
onze jaartelling en onze beschaving te danken hebben: Jezus Christus. |
Jezus vertelde over het contact met God die hij zijn Vader noemde. Aan de wonderen
die hij deed was te zien dat hij dat contact zelf had |
De geestelijke leiders zagen hem als een gevaarlijke concurrent, vooral toen hij
zich ook nog ging bemoeien met wat er in de tempel gebeurde. |
Daar deden de verkopers van de dingen die geofferd moesten worden, goede zaken en
de geestelijke leiders profiteerden daarvan. |
Toen Jezus daar op een keer hardhandig een eind aan maakte, waren ze woest en probeerden
een gelegenheid te vinden om hem te vermoorden. |
Maar de gewone mensen waren weg van Jezus. Daar moesten ze natuurlijk rekening mee
houden. |
Nu had één van de leerlingen van Jezus, Judas, ook een hekel aan hem gekregen. Hij
had gehoopt dat Jezus de macht zou grijpen in het land en dat hijzelf dan een
voorname positie zou krijgen. |
Maar toen hij merkte dat Jezus heel andere plannen had, liep hij over naar de vijand.
Voor dertig zilverstukken zou hij ervoor zorgen dat Jezus in hun handen
kwam. Het liep tegen Pasen... |
Hij wist dat als Jezus in Jeruzalem was, hij dan graag naar een bepaalde tuin ging,
net buiten de stad. |
Judas en de andere leerlingen kenden die tuin wel want ze waren vaak met hem meegeweest.
|
Tegen pasen vertelt Jezus zijn leerlingen dat hij zich die nacht gevangen zal laten
nemen en dat hij zich vrijwillig zal laten veroordelen tot de doodstraf. Ze
begrijpen er niets van. |
Hij zegt dat dat het offer zal zijn waardoor alle mensen weer contact met God zouden
kunnen krijgen, net als hij. |
Met elkaar gaan ze naar de tuin waar ze al zo vaak waren geweest. Alleen Judas, die
is er niet bij... |
Aan drie van zijn leerlingen vraagt hij of ze met hem mee willen gaan, dieper de
tuin in om met hem te waken. |
Want hij zal de schuld op zich nemen voor alles wat de mensen verkeerd hebben gedaan
en in hun plaats de straf daarvoor dragen. |
Dat zal vreselijk zijn, niet alleen voor hemzelf, maar ook voor God, zijn Vader. |
Maar het is de enige manier waarop het weer goed kan komen tussen God en de mensen.
Jezus heeft het er vreselijk moeilijk mee. |
"Vader," bidt hij, "neem dit lijden alstublieft van mij weg! Maar niet mijn wil,
maar die van U moet gebeuren..." Een engel geeft hem kracht. |
Hij bidt nog vuriger en wordt zo ontzettend bang dat het angstzweet als grote druppels
bloed op de grond valt. |
Dan staat hij op en loopt naar zijn leerlingen. |
Die waren in slaap gevallen. Hij maakt ze wakker. "Sta op!" zegt hij. "Het is zover.
Mijn verrader komt eraan." |
Met een bende mannen, gewapend met zwaarden en knuppels, komt Judas de tuin binnen.
|
"De man die ik zal groeten met een kus, moeten jullie gevangen nemen" had hij tegen
ze gezegd. |
Judas loopt naar Jezus om hem op de afgesproken manier te begroeten. |
Petrus, één van de andere leerlingen, wil er met zijn zwaard op inhakken. Maar Jezus
houdt hem tegen. |
"Jullie denken toch niet dat ik een rover ben?" zegt Jezus tegen de mannen en laat
zich gevangen nemen. |
Dan laten alle leerlingen hem in de steek en slaan op de vlucht. Judas ziet hoe de
gewapende bende hem meeneemt naar Jeruzalem. |
Daar zitten de geestelijke leiders al in spanning te wachten op hun komst... |